Reclamerecht

La Publicité et la Loi, hoofdstuk 12 Les Pays Bas, 11e druk, Lexis Nexis SA, 2009

Merkenrecht

De merkhouder kan zich verzetten tegen het gebruik van een met zijn merk overeenstemmend teken (voor dezelfde of voor soortgelijke waren of diensten) indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk. Deze verwarring omvat zowel directe als indirecte verwarring. De houder van een bekend merk kan zich daarnaast verzetten tegen het gebruik van een met zijn merk overeenstemmend teken indien daardoor gevaar voor associatie bestaat, niet te verwarren met het gevaar voor directe of indirecte verwarring. De criteria gevaar voor verwarring en gevaar voor associatie zorgen in de praktijk voor nogal wat verwarring. Verwarring over verwarring, tijd om de inbreukcriteria eens op een rij te zetten. [...] Conclusie Directe en indirecte verwarring en associatie zijn geen eenvoudige begrippen en kunnen door elkaar gaan lopen. Dit zou echter geen reden moeten zijn om de weg kwijt te raken. Rechters zouden bij bekende merken een aparte overweging moeten wijden aan én de verwarringsbescherming (sub b) én de verwateringsbescherming (sub c). Zelfs als de uitkomst van artikel 2.20 lid 1 sub b en c BVIE dezelfde is, namelijk geen inbreuk, dan nog zouden rechters moeten aangeven waaróm zich verwarrings- noch associatiegevaar kan voordoen. Dit geldt ook voor rechters in kort geding. Zij hebben een mindere motiveringsplicht, maar een goed gemotiveerd kort geding vonnis waaruit in ieder geval blijkt dat de rechter zich bewust is van de juiste inbreukcriteria én van de ruimere beschermingsomvang van bekende merken zal zeker leiden tot een betere aanvaarding van, en wellicht begrip voor, het vonnis. Verwarring of associatie: het spoor bijster, In: D.J.G. Visser en D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter, p. 301-309.

Portretrecht

In ’t Schaep met de Vijf Pooten is een financieel belang bij verzet tegen de publicatie van een portret als redelijk belang in de zin van art. 21 Aw erkend. Dit belang geldt echter niet voor iedereen: volgens de Hoge Raad kan van een redelijk financieel belang sprake zijn wanneer de populariteit van geportretteerden, verworven in de uitoefening van hun beroep van dien aard is dat een commerciële exploitatie van de populariteit door enigerlei wijze van openbaarmaking van de portretten mogelijk wordt. Beroemde artiesten en sporters bezitten een dergelijke verzilverbare populariteit en kunnen op grond daarvan vrij eenvoudig optreden tegen commercieel gebruik van hun portret. Maar hoe zit het met het commercieel gebruik van portretten van niet beroemde personen, personen zoals u en ik. Kunnen wij ons verzetten tegen een commerciële exploitatie van ons portret? Het commercieel belang van de onbekende, In: D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht (30 jaar ’t schaep met de 5 pooten), p. 75-82.